h

SP wil integraal provinciaal mestbeleid

3 oktober 2013

SP wil integraal provinciaal mestbeleid

Na veel gesprekken met deskundigen binnen en buiten de SP en nader onderzoek heeft de SP-fractie in Provinciale Staten een reeks vragen opgesteld waarvan de beantwoording moet leiden tot een integraal provinciaal beleid voor het mestvraagstuk. Brabant is de provincie met de grootste veestapel in Nederland, die enorm veel mest produceert. De afvalstoffen van mest geven veel overlast en zijn erg schadelijk voor mens en milieu. Door mest op bepaalde manieren te be- en verwerken kunnen die afvalstoffen mogelijk deels worden omgezet in energie of voedingstoffen voor de bodem. Maar ook opslag, transport en bewerking van mest leveren overlast en schade en andere twijfels op. De Tweede Kamer vergaderde deze week lang over de mestkwestie. Woordvoerder Landbouw Veerle Slegers van de SP-fractie heeft het onderwerp op de agenda gezet van de Statencommissie Transitie Stad en Platteland op vrijdag 4 oktober, om met de gezamenlijke Staten te overleggen over antwoorden op alle vragen over mest. Zonder die antwoorden en een daaruit volgend adequaat mestbeleid is een echte overgang naar een ecologisch, economisch en sociaal verantwoorde veehouderij niet mogelijk. Hier zijn de vragen die de SP vrijdag wil bespreken:

Een van de nader uit te werken thema’s in de “Transitie naar een zorgvuldige veehouderij 2020” betreft punt J “Mestverwerking”. Daar worden drie beleidsmatige uitgangspunten geformuleerd:
a) Focus op verwerking van mest uit de eigen provincie
b) draagvlak bij lokale overheden, burgers en betrokkenen
c) maatwerk bij het verlenen van ontheffingen, om groei van de veestapel tegen te gaan
Daartoe worden vier voorstellen geformuleerd:
f) het bestaande beleid dat mest van derden verwerkt wordt op industrieterreinen, en
eigen mest op het eigen erf, wordt voortgezet
g) Verwerking van de dunne fractie van derden wordt mogelijk op geschikte plekken in
het buitengebied
h) Een scherper toezicht en handhaving
i) Een jaarlijks overzicht aan PS van omvang en locaties van mestverwerking
Nu onze fractie enige tijd gehad heeft om de discussie over dit ingewikkelde en zich snel ontwikkelende beleidsterrein te laten bezinken, na de nodige literatuurstudie en na een aantal werkbezoeken en gesprekken, is bij onze fractie op hoofdlijnen het beeld gaan bestaan dat
p) de uitgangspunten en voorstellen een geschikt vertrekpunt zijn voor een verdere
doorontwikkeling, maar bepaald niet het eindpunt daarvan
q) er geen verbinding gelegd wordt met andere terreinen, zoals bijvoorbeeld het duurzame
energiebeleid, het tot stand brengen van gesloten kringlopen en de bodemkwaliteit
r) er geen helder politiek verhaal ligt onder de voorgestelde ruimtelijke keuzen
s) dat het fysieke veiligheidsbeleid rond mestvergisters onvoldoende expliciet aan
de orde gesteld wordt
t) dat de voorstellen geen analyse bieden en geen politiek doel formuleren, anders dan
het niet laten groeien van de veestapel (welk doel onze fractie overigens deelt). Het
beleid “past op de winkel” en is vooral procedureel gericht.
Een van de belangrijkste functies van Provinciale Staten is het stellen van kaders. Zoals gezegd beschouwen wij de punten uit de “Transitie…” als een goed begin van een dergelijke kaderstelling. Maar het is het begin van een lange weg waarop nog vaker belangrijke politieke keuzes gemaakt zullen moeten worden.

Blijkens een recent persbericht is ook het College van GS al een eind gevorderd op deze weg.
In de aanloop tot die lange weg hebben we onze kennis al wel met studie, gesprekken en werkbezoeken op een hoger plan gebracht. Maar we willen waken voor een ontwikkeling dat ons denken zo ver van de hoofdstroom af staat dat er soort politieke Alleingang ontstaat. Vandaar dat wij u nu een betoog met vragen voorleggen. Het is als het ware even bijpraten.

Soms vragen wij het College naar opinies op terreinen, waarop de provincie geen bevoegd gezag is. Toch gaan wij deze vragen niet uit de weg omdat de provincie, naast zeggenschap, ook invloed heeft. “Er wordt vanuit Den Haag naar Brabant gekeken” zoals gedeputeerde van den Hout zei. Misschien moeten we af en toe terug kijken.

Mestverwerking en dieraantallen
De bevolking en de milieugroepen zijn bezorgd dat mestvergisting zal leiden tot het toestaan van meer dieren. Dat wordt ongewenst gevonden en die mening deelt de SP.
Het is echter de vraag welke grond deze bezorgdheid heeft.

Voor zover wij het kunnen beoordelen lijkt het product, dat overblijft na mestvergisting, het digestaat, zoveel op onvergiste mest dat het uitrijden ervan op het eigen land juridisch aan dezelfde beperkingen gebonden is. Het bevat ongeveer de vroegere hoeveelheden stikstof, fosfor en kalium en is dus gebonden aan dezelfde stikstof- en fosfaatrichtlijn. Zo redenerend lijkt de vraag “vergisten of niet?” ongeveer neutraal voor het aantal dieren uit te pakken.
Zowel digestaat als onvergiste mest kunnen zodanig nabewerkt worden, dat zij buiten het eigen bedrijf afgezet kunnen worden. Dat betekent in praktijk buiten onze landsgrenzen, want de markt in Nederland als geheel is ook al grotendeels of geheel verzadigd.
Een andere veronderstelling is dat digestaat na nabewerking kunstmest zou kunnen vervangen. Daarvan wordt in praktijk echter, bij ons weten, nog niet veel waargemaakt.

1) Is het College, met de SP, van indruk dat het vergisten van mest vooral een gedaante-verandering van het mestprobleem is en niet zozeer een oplossing van het mestprobleem? En dat het al dan niet vergisten van mest ongeveer neutraal uitwerkt op het aantal dieren?
2) De “oplossing” van het mestprobleem staat of valt met de exportmogelijkheden. Tot nu toe hebben wij als fractie alleen maar instanties ontmoet die elkaar napraten dat Duitsland en de Franse wijnbouw interesse zouden hebben. Is hier de wens de vader van de gedachte of bestaat er een serieus marketingplan, waarin deze mogelijkheden plausibel worden gemaakt? Of wellicht zelfs contracten?
3) Maakt het voor “exportklaar maken” uit of de mest vergist is of niet?
4) Maakt het voor kunstmestvervanging uit of de mest vergist is of niet, en hoe reëel is dit alternatief?
Positieve/ negatieve kenmerken van vergiste en onvergiste mest op de omgeving

Het humusgehalte van de bodem
De literatuur beweert dat vergiste mest boven niet vergiste mest enkele voordelen heeft. Op papier bevat digestaat veel minder ziektekiemen, is licht basisch in plaats van zuur, de stikstof is meer in de ammoniumvorm en minder in de nitraatvorm, en is digestaat homogener en constanter en makkelijker na te bewerken. Digestaat stinkt minder. En er komt geen methaan in de lucht, een krachtig broeikasgas.
De door onze fractie geraadpleegde literatuur is overigens sceptisch over de uitwerking van sommige van deze voordelen in de agrarische praktijk.

Met name de BMF heeft bij ons zorgen geuit over de koolstofbalans van de bodem, het voornaamste potentiële nadeel van vergisting. De redenering is simpel: organisch materiaal dat de gasvorm ingaat, wordt geen humus in de bodem. De maïsstengels worden niet meer ondergeploegd.
Daar staat tegenover dat houtvezels de vergisting intact overleven en met het digestaat alsnog in de bodem komen, en dat er ook organisch materiaal van buiten de landbouw in de vergistingstank komt. Ook kan compost de bodem verrijken, als die tenminste niet ook wegvergist wordt.

Er kan echter ook een stap de andere kant op gezet worden. Men kan speciale “energiemais” gaan telen, alleen om deze aan de mestvergister te voeren. Bijzaak zou dan tot hoofdzaak worden en er zou meer diervoeder moeten worden ingevoerd van elders op de wereld (als dat kan).

Het eventuele lagere humusgehalte van de bodem zou er toe kunnen leiden dat de grond losser zou worden en mogelijk nog harder zou gaan stuiven dan nu al gebeurt (met name in schraal voorjaarsweer in de aspergevelden). Zijn wij bezig om onze eigen dust bowls te organiseren?
De literatuur geeft geen duidelijk antwoord. De Amerikaanse muziektraditie wel.

5) Neemt uw College in de uitwerking van het beleid de landbouwkundige voor- en nadelen van vergisting mee?
6) Meer speciaal, neemt uw College in de uitwerking van het beleid de mogelijk grotere kans op bodemerosie mee?
7) Hoe staat uw College tegenover de gedachte om steekproefsgewijs op bepaalde locaties het humusgehalte van de bodem te monitoren?
8) Beschouwt uw College in zijn algemeenheid de bodemvruchtbaarheid als object van provinciaal beleid, waarop beleid zou moeten bestaan of komen? Welke eventuele instrumenten komen we daarvoor tekort?

Koolstofgehalte bodem, klimaat en duurzame energie
Bovenstaand verhaal is deel van een groter verhaal.
Nederland heeft het Kyotoverdrag getekend. De stijging van het CO2 – gehalte in de atmosfeer moet zodanig beperkt worden, dat de mondiale temperatuurstijging onder de 2⁰C blijft.
Een bekende maatregel in dit verband is om minder op fossiele brandstoffen te vertrouwen. Elektrische energie en warmte uit mest dragen daar in bescheiden mate aan bij. In 2009 leverde biogas uit alle vormen van vergisting samen een kwart % van het Nederlandse energiebudget (ruim 8 van de 3260 PJ). Wie nu op Infomil kijkt, ziet 105 agrarische covergistingsinstallaties met een gezamenlijk vermogen van 18MW warmte, 129 MW elektrische en 5 MW gas. Het totale Nederlandse vermogen was in 2009 103000 MW, waarvan grofweg 14000 MW elektrisch. De huidige covergisters leveren dus ongeveer 0,15% van het totale Nederlandse vermogen en ongeveer 1% van het totale Nederlandse elektrische vermogen.
In de “Strategische verkenning covergisting mest 2007” wordt als doel gesteld de absolute getallen grofweg te vervijfvoudigen, waardoor covergisting ongeveer driekwart % van het totale nationale energiebudget zou gaan uitmaken, en 2 a 3% van het elektriciteitsbudget.

Duurzame energie in Nederland betekent bezuinigen, gedragsverandering, verdere elektrificatie en overal vandaan vermogen bij elkaar schrapen. In die zin helpen alle kleine beetjes. Maar de mogelijkheid dat een kleine winst meer dan ongedaan gemaakt wordt door een groter verlies verdient nadrukkelijk aandacht.
Een minder bekende maatregel in dit verband is het bodembeheer. De hoeveelheid koolstof in de bodem is, gemiddeld over de hele aarde, het dubbele van in de atmosfeer. In rijke bodems, zoals onder oud grasland, kan die verhouding veel groter zijn. Als er een beetje koolstof in de bodem weg oxideert, kan dat al een forse stijging in het CO2 – gehalte van de atmosfeer met zich meebrengen. Een goed bodembeheer kan Nederland helpen om aan zijn Kyoto-doelen te voldoen.

Het onderzoeksbureau CLM Onderzoek en Advies heeft in febr. 2012 in opdracht van Innovatienetwerk Courage zelfs een studie uitgebracht hoe de Nederlandse melkveehouderij mee kan werken aan koolstofopslag in de bodem.

Als Brabantse boeren daarentegen op grote schaal oud grasland zouden gaan scheuren om mais te verbouwen als covergistingstoeslag om een klein beetje meer elektrische energie en gas op te wekken, en om op het nieuwgevormde akkerland digestaat te kunnen dumpen, zou dat netto wel eens kunnen betekenen dat het klimaat er door geschaad wordt in plaats van gebaat. De humus onder dat grasland oxideert in no time weg.

In een agrarische context gaan het besparen op fossiele brandstof en het verminderen van de CO2 in de lucht niet per definitie hand in hand.

9) Beschouwt het College het als een doel in zichzelf om koolstof vast te leggen in agrarische bodems, met het doel aan de Kyotovoorschriften te voldoen die de Nederlandse overheid medeondertekend heeft?
10) Zo ja, hoe krijgt dat beleid vorm in de uitwerking van de “Transitie…”, waarmee het College nu bezig is?
11) Zo nee, is het College dan bereid om in genoemde uitwerking een dergelijk beleid in de steigers te zetten?

Competitie om biomassa; vervoersbewegingen over de aarde
De hoge prijzen voor biomassa zijn geen eenmalige zaak. Aan alle kanten wordt er, nationaal en mondiaal, aan de te schaarse biomassa getrokken: voedsel voor dier en mens, bodemonderhoud, de chemische industrie, biobrandstof, meestoken in centrales. De krachtsverhoudingen in deze concurrentiestrijd worden vaak beïnvloed door binnen- en buitenlandse overheidssubsidies, die niet altijd de uitwerking hebben die men ervan verwacht.

Als bijvoorbeeld het onderhoud van de bodem een redelijke subsidie zou krijgen uit het Emission Trade System van de EU, of als er geen subsidie zat op het meestoken van Canadese houtsnippers in Nederlandse elektriciteitscentrales, zag dit krachtenveld er meteen heel anders uit.
12) Kent u de geluiden van composteringsbedrijven die zeggen minder goed aan biomassa te kunnen komen door concurrentie van biovergisters?
13) Covergisting is vanwege het gebruik van slurrie uit de voedselindustrie concurrentie voor de veevoerproductie. Daardoor bestaat het risico dat bij structurele covergisting de agro-industrie weer meer veevoergrondstoffen uit het buitenland moet invoeren. Neemt u dit gegeven mee bij de uitwerking van het transitiebeleid?
14) Welk deel van de voorziene opbrengsten in de businesscases van mestvergistingsinitiatieven is afkomstig van overheidssubsidies en welk deel is opbrengst uit de markt? Is het mogelijk om aan te geven hoe tijdelijk deze tijdelijke subsidies zijn en wanneer ze zichzelf overbodig gemaakt hebben?
15) Heeft uw College een politieke mening over de mondiale mechanismes die hier werken?

Fysieke veiligheid
Het verbaast ons dat het aspect fysieke veiligheid niet explicieter in de beleidsvorming naar voren komt. Mest- en slibtanks waarin (al dan niet bedoeld) anaerobe vergisting optreedt, zijn met name voor het personeel levensgevaarlijk, zoals uit het dodelijke ongeval bij Reiling en recentelijk in Makkinga bleek. Het ging hier waarschijnlijk overigens over opslagtanks en niet over vergisters.
In het proefschrift van Sjon Wesemann (febr 2012), geschreven met hulp van de Inspectie SZW, is een lange lijst ongevallen geïnventariseerd. Daaruit blijkt dat vergisters en hun bijbehorende tanks etc, behalve voor het personeel, ook gevaren voor het publiek met zich mee brengen. Die worden veroorzaakt door enerzijds het brand- en explosiegevaar van methaan en anderzijds de giftigheid van zwavelwaterstof. De problemen in Coevorden zijn een voorbeeld.

Op zichzelf hebben wij in Nederland leren leven met gevaarlijke bedrijven. Bedrijven, die zo gevaarlijk zijn dat ze niet meer met een categorale regelgeving afkunnen (het Activiteitenbesluit), vallen in Nederland onder het BEVI of zelfs onder het BRZO (vroeger bekend als de post-Sevesorichtlijn). Er zijn in Nederland ca 400 BRZO-inrichtingen in Nederland, waaronder (op de officiële VROM-lijst dd sept 2011) 73 in Brabant – daaronder geen vergisters.

Dat feit alleen al geeft aan dat de inkadering van vergisters in het fysieke veiligheid – beleid achterblijft. Het feit dat vergisters nog geen expliciet genoemde categorie zijn in het Activiteiten-besluit en in het BEVI, en daarmee buiten het BEVI vallen tenzij ze onder het BRZO vallen, laat zien dat het nog wennen is om vergisters in gangbare categorieën onder te brengen.

Ook het proefschrift van Wesemann en de publicatie “Het veilig bouwen en beheren van covergistingsinstallaties voor de productie van biogas”(RIVM 2011) roepen het beeld op van een sector die nog zoekende is naar een veiligheidscultuur.

Verder meldt genoemde RIVM-publicatie dat in EU-verband biogas wel eens zou kunnen worden overgebracht van de categorie “zeer giftig gas” in de categorie “alternative fuel”, waardoor biogas, ongeacht het H2S-percentage, in praktijk niet meer onder het BRZO valt en dan dus in Nederland alleen nog onder categorale wetgeving die niet voor deze sector ontworpen is.

16) Tot nu toe blijkt dat initiatiefnemers van mestverwerking of covergisting zelf een tekort aan kennis hebben om het initiatief adequaat uit te voeren. Uit eerdere informatiebijeen-komsten blijkt dat de technische en bedrijfsmatige expertise over mestverwerkings- en covergistingsinitiatieven in Nederland tekort schiet. Op welke manier kan de provincie Noord-Brabant kennisontwikkeling hierover aanzwengelen?
Kan het recent ingestelde Energiefonds hier van betekenis zijn?
17) Onze fractie meent dat de fysieke veiligheid van vergisters van zo groot belang is, en op dit moment nog zo onzeker in zijn realisatie is, dat deze bij de uitwerking van het “Transitie ….” core business moet zijn. Waarschijnlijk betekent dat tevens dat uw College bij het Rijk aan de bel moet trekken om de nationale wetgeving beter op orde te krijgen, bijvoorbeeld door mestvergisters als aparte categorie in het Activiteitenbesluit of het BEVI aan te merken.
Hoe staat uw College hier tegenover?
18) Een van de problemen met het H2S-gehalte van biogas is dat dit gehalte kan fluctueren en afhangt van zaken als de kwaliteit van de meet- en regelapparatuur, de kennis van zaken van de exploitant en de gekozen invoermaterialen.
Bepaalde afvalmaterialen toegestaan zijn als invoer, wat op zichzelf aan bonafide exploitan-ten de mogelijkheid biedt om zinvol materialen te verwerken die anders niet recyclebaar zouden zijn. Aan malafide exploitanten echter biedt dit de gelegenheid tot fraude. Deze fraude zou o.a. kunnen leiden tot uit de hand lopende H2S-percentages. De “positieve lijst van covergistingsmaterialen” biedt zowel kansen als bedreigingen.

Naar de mening van onze fractie zou de uitwerking van het “Transitiebeleid…. “ mede de ontwikkeling van een stringente anti-fraude beleid moeten omvatten.
Hoe staat uw College hier tegenover en hoe denkt u dat te gaan doen?
Wat is het doel van het provinciale beleid?
Met het provinciale mestbeleid kunnen allerlei doelen nagestreefd worden:
* Het mestoverschot een andere chemische gedaante geven
* Het mestoverschot hanteerbaarder en beter exporteerbaar maken
* Elektrische energie, warmte en gas produceren
* Boeren een extra inkomen bezorgen
* Het NPK-gehalte van de bodem laten dalen
* Het koolstofgehalte van de bodem laten stijgen
* De gevaren voor de gezondheid van mens en dier verminderen
* De kans op ongevallen verminderen
* Minder kunstmest gebruiken
* Bepaalde typen afval zinvol verwerken
* Biomassa kweken voor hoogwaardige chemisch toepassingen
* Dieraantallen verminderen tot een niveau dat het land aan kan

Deze doelen zijn echter soms onderling strijdig en dus niet alle tegelijk te verwerkelijken. Dat betekent dat er principiële politieke keuzes gemaakt moeten worden.
De SP vindt op basis van onze huidige kennis de doelen “Elektrische energie, warmte en gas” en “extra inkomen” minder urgent, heeft nog geen definitieve mening over de doelen “andere chemische gedaante” en “hoogwaardige chemische toepassingen” en vindt de andere doelen het belangrijkste.
19) Welke politieke keuzes maakt uw College?

Randvoorwaarde: de locatiekeuze en de schaalgrootte
Onze fractie heeft nergens een goede inhoudelijke onderbouwing kunnen vinden van het bestaande beleid ”Eigen mest eigen erf, andermans mest naar het industrieterrein”.
Er is jurisprudentie bij de Raad van State wat nog onder een agrarische bestemming verstaan kan worden, met name het Texel-arrest. De Raad oordeelde uiteindelijk dat, omdat 97% van de opgewekte elektriciteit buiten de eigen onderneming afgezet werd en 50% van het bedrijfs-inkomen uit de biovergister kwam, de biovergister geen “ondergeschikte activiteit” meer was en dus strijdig met de agrarische bestemming. Elektrische energie is geen agrarisch product. Gegeven de Wet ruimtelijke ordening (WRO) is het standpunt van de Raad van State te volgen.

Na dit arrest is de jurisprudentie verder uitgewerkt. Er zijn Kamervragen over gesteld. De minister heeft aangegeven dat de WRO ruimte laat voor omschrijvingen die mestvergisting toestaan. De gemeenten moeten dan andere formuleringen in hun bestemmingsplannen gebruiken.
Met de jurisprudentie kunnen we ons inziens twee kanten op.
Enerzijds kunnen we de jurisprudentie voor onontkoombaar aannemen en op zoek gaan naar een bestemming, die minder strikt agrarisch is. Ook dan zijn er naast industrieterreinen overigens ook andere mogelijkheden, zoals glastuinbouwgebieden, rioolwaterzuiveringsinstallaties of stortplaatsen, en landbouwontwikkelingsgebieden.
Anderzijds kan men proberen om gemeenten er toe te bewegen hun bestemmingsplannen aan te passen of om de wetstekst te veranderen.
Het komt ons als fractie voor dat GS zich misschien wat te gemakkelijk neerlegt bij de bestaande bestemmingsplannen. Het lijkt bijna een automatisme geworden dat “andermans mest naar een industrieterrein moet”. Dat “de verwerking van dunne fractie van derden naar het buitengebied mag” is mogelijk de eerste doorbreking van dat automatisme. We zullen zien.

Onze fractie komt mede tot dit gevoelen omdat wij nog geen deugdelijk verhaal tegengekomen zijn, waarin de keuze voor een industrieterrein op positieve gronden beargumenteerd wordt. Voor onze fractie is dit evenmin een automatisme. Wij kunnen ons voorstellen dat het groepsrisico van een vergister op een industrieterrein groter is dan van een vergister op een afgelegen locatie in de wei, en dat voertuigbewegingen naar een industrieterrein in de dorpen meer overlast veroorzaken dan idem naar een langs de snelweg gelegen agrarische locatie (onze fractie denkt hierbij bijvoor-beeld aan de dorpskom van Sterksel en Maarheeze).
Bovendien is het ene bedrijfsterrein het andere niet. Zo ook de exploitant.
Het lijkt onze fractie voor de hand liggend dat een mestvergister met een omvang, die hem normaliter onder het BEVI zou brengen of zelfs het BRZO, op een industriële locatie thuishoort die zich daarvoor leent. Maar voor kleinere vergisters zien wij vooralsnog geen automatisch verhaal.
20) In hoeverre berust de aangekondigde denkrichting van uw College m.b.t. de locatiekeuze op negatieve overwegingen van juridische aard, en in hoeverre berust deze denkrichting op positieve overwegingen van inhoudelijke aard?
Zo dit laatste (mede) het geval is, zou uw College dan willen uitleggen hoe deze over-wegingen luiden, eventueel zo geabstraheerd dat geen concrete locaties herkenbaar zijn?
De SP-fractie heeft behoefte aan een bruikbare schaalgrootte-indeling van mestvergisters. In “Kansen en bedreigingen voor mestvergisting en groengasproductie in de Gelderse landbouw” (Wageningen Livestock Research, sept. 2011) schetsen de auteurs een schaalgrootte-indeling die uit drie categorieën bestaat:
- de boerderijvergister (80-300 koeien of 1000-4000 varkens, <0,5MW)
- de buurtvergister (4 tot 10 * zoveel dieren, 2 tot 5 MW)
- de industriële of regiovergister (20 * zoveel dieren, >10 MW)
21) Hanteert uw College een vergelijkbare indeling?
Randvoorwaarde: milieu en stank; bevoegd gezag
De verlening en de handhaving van milieuvergunningen volgt in onze beleving de normale lijnen. We willen graag twee onderdelen uit dit geheel aan u voorleggen.
Het ene betreft wie er bevoegd gezag is. Wij begrijpen dat
- onder de 25000 m3 per jaar de gemeente bevoegd gezag is,
- daarboven de gemeente zolang de inrichting geen BRZO- of IPPC-installatie is, maar dat de
provincie dan wel een verklaring van geen bezwaar moet afgeven
- voor BRZO- en IPPC-installaties boven de 25000 ton per jaar de provincie bevoegd gezag is.
Onze fractie vindt deze indeling niet erg praktisch. Hij is moeilijk uit te leggen en gebruikt bij het publiek onbekende begrippen als criterium. Bovendien kunnen bedrijven groeien of kunnen de regels veranderen (bijvoorbeeld als mestvergisters straks misschien niet meer onder het BRZO vallen). Onze fractie snapt ook wel dat uw College de wet niet gemaakt heeft, maar misschien heeft u voldoende invloed in Den Haag.
22) Is het College, met de SP, van mening dat het veel handiger zou zijn als de verlening en handhaving van alle milieuvergunningen van mestvergisters in één hand zou zijn, namelijk die van de provincie, en zou het College hiervoor in Den Haag willen pleiten?
23) Zolang dit (nog) niet zo is, is het College dan bereid om op de provinciale site http://brabantapps.brabant.nl, waarop inrichtingen staan waarvan de provincie bevoegd gezag is, ook de mestbewerkers te plaatsen waarvoor de gemeente bevoegd gezag is (onder vermelding van dit feit)?
(Overigens schakelt deze site niet voor alle mestverwerkende bedrijven, die erop staan, door naar hun milieuvergunning, terwijl dat wel de bedoeling is).
De stank.
Waar burgers te hoop lopen tegen de komst van een mestvergister, doen zij dat altijd met de door hen gevreesde stank als argument. Toch moet o.i. elk stankprobleem oplosbaar zijn. Men is er jaren geleden al in geslaagd om een van de ergste stankbronnen van Brabant, de destructor in Som (nu Rendac) nagenoeg stankvrij te krijgen. Dat moet ook met een mestvergister lukken.
24) Worden voor de bestrijding van geur en stank de Best Beschikbare Technieken ingezet en zo ja, waar moeten burgers dan aan denken?

U bent hier